Langer doorwerken, werksituatie en productiviteit
Uitgevoerd door: ROA in samenwerking met ABP
Datum rapport: juli 2010
In dit rapport wordt ingegaan op de vraag in hoeverre organisaties binnen de overheid en het onderwijs succesvol zijn in het stimuleren van het (productief) langer doorwerken van hun werknemers. Daarbij wordt specifiek gekeken naar de effecten van de invoering van het ABP Keuzepensioen en naar het afschaffen van de FPU regeling in 2006. Deze aanpassing in de regeling beoogde onder andere de arbeidsmarktparticipatie van oudere werknemers te verhogen. Werknemers die geboren zijn in 1950 hebben géén recht meer op de oude - meer genereuze - prepensioenrechten (FPU) en zullen daardoor langer moeten doorwerken, terwijl degenen die geboren zijn in 1949 nog wél gebruik kunnen maken van de oude FPU-regeling. Door deze twee groepen werknemers met elkaar te vergelijken wordt inzicht gekregen in de effecten van (deze) financiële prikkels. Hierbij is gekeken naar de individuele attitude en opvattingen alsmede naar invloed op organisatieniveau.
Belangrijkste onderzoeksresultaten
- Effectiviteit financiële prikkels om langer door te werken is beperkt;
- Effecten financiële prikkels verschillen sterk per sector.
Met name de werknemers in de sectoren Gemeenten, Rijk, Primair en het Voortgezet onderwijs denken als gevolg van de versobering van hun pensioenrechten langer door te werken; - Versobering pensioenrechten ook effect op pensioengedrag partner;
- Werknemers die langer door moeten werken zijn minder productief;
- Effectief beleid gericht op de duurzame inzetbaarheid omvat meer dan alleen financiële prikkels;
- Oudere werknemers oordelen negatief over het gevoerde personeelsbeleid.
Het arboservicecentrum voor het voortgezet onderwijs